Biografie Manuel Kneepkens

Manuel Kneepkens werd op 26 februari 1942 te Heerlen geboren. Het gezin Kneepkens woonde destijds in Treebeek maar zou al snel daarna verhuizen naar de Casinolaan in Terwinselen, vlakbij de staatsmijn Wilhelmina.

In de beroete tuin vlak naast de mijnpoort
Waar ik als kind woonde

Terwinselen, Casinolaan (uit: ‘De lustgouverneur’)

De vader van Manuel Kneepkens was mijningenieur bovengronds bij de Wilhelmina, de vader van de dichter Wiel Kusters, afkomstig uit het nabijgelegen Spekholzerheide, werkte ondergronds bij de Wilhelmina.
Het thema ‘de mijn’ en met name jeugdherinneringen aan de Wilhelmina en de directe omgeving zullen later regelmatig onderwerp zijn in de poëzie van beide dichters.

 


 

   
  Manuel Kneepkens, 4 jaar, in de Casinolaan te Terwinselen. Op de achtergrond de steenberg van de Wilhelmina  
     

Manuel Kneepkens:
Het huis van mijn vroegste jeugd is het huis Casinolaan 3 in Terwinselen. Het hoekhuis van de Casinolaan en de Parallelstraat. Vlak naast de Mijnpoort. Schuin tegenover was het Casino – het ontspanningscentrum van de Staatsmijn Wilhelmina, waar films
werden gedraaid, personeelsavondjes gehouden, etc. Daar was de straat dus naar vernoemd.
Dag en nacht passeerden daar in de Casinolaan ons tuinhek, honderden mijnwerkers op weg naar de dagschicht, terug van de nachtschicht, et vice versa.
Indrukwekkend dichtbij was ook de steeds maar aangroeiende steenberg. Toen een groot zwart vlak aan de nabije horizon, nu is er een skibaan op gevestigd.
Van ‘milieu‘ had men destijds nog nooit gehoord. Het mijnvuil, onbekommerd uit de schoorstenen van de mijn uitgestoten, viel met bakken over het dorp. Om te beginnen over ons huis en onze tuin. Zo erg, dat ik als baby, naar mijn moeder steevast vertelde, als mijn wiegje buiten stond, onder een klamboe moest liggen.
Een ander euvel van het wonen vlak naast de mijn was het optreden van mijnscheuren. Op een gegeven moment was de scheur tussen de aangebouwde bijkeuken en de keuken zodanig dat ik, als vierjarige, er mij door heen kon wringen. Die scheur werd jaarlijks dichtgemetseld, waarna hij prompt daarna weer ontstond.

Een van mijn vroegste herinneringen is dat wij in de kelder zitten bij kaarslicht. Ik in een geïmproviseerd bedje van tuinstoelen. Ik dacht dat het was om ons voor de Duitsers te verbergen. Maar dat was niet zo. Aken werd gebombardeerd. En er was grote angst dat de geallieerde vliegers en passant ook de Wilhelmina als oorlogsdoel zouden aanmerken. Ik moet toen twee jaar geweest zijn. Spoedig daarop kwam de Bevrijding. Foto’s laten zien dat er Amerikaanse officieren in ons huis zijn ingekwartierd geweest, maar daar herinner ik mij niets van. Wel een kapotte tank, achtergelaten door de Amerikanen, verderop in het dorp.
Augustus 1948 abdiceerde koningin Wilhelmina. Dat werd in Terwinselen, dat tenslotte leefde onder de rook van de naar haar vernoemde mijn, groots gevierd. Ik herinner mij dat zo goed omdat de dag daarop ik voor het eerst naar de eerste klas van de lagere school moest. Na afloop van de eerste ochtend op school kregen wij allemaal een Wilheminabeker, Die beker bezit ik nog.

Een jaar later verhuisden wij naar de Hubertuslaan. Maar het is het huis aan de Casinolaan dat voor mij altijd het huis van mijn jeugd is gebleven. Het kiezelpad. Het grasgazon omringd door een halvemaanvormige border vol rododendrons en hoge vlinderstruiken. De perenboom daarachter. De zandbak. De tuin met het aardbeibed en de aalbesstruiken en de bleekwei achter het schuurtje. Aan het einde waarvan mijn broer en ik elk een eigen tuintje hadden.
Plus natuurlijk het Zwart Decor daarachter, de Mijnpoort, de Mijn en de Steenberg! Dat blijft onvergetelijk voor mij. De meeste van mijn “Mijnstreekgedichten’ vinden hier hun oorsprong.

   
Voor zijn ouderlijk huis in de Casinolaan te Terwinselen leest Manuel Kneepkens enkele gedichten, 31 januari 2008   Op de achtergrond rechts van Manuel Kneepkens zijn ouderlijk huis  

 


 

In 1954 ging Kneepkens naar het gymnasium van het Bernardinuscollege te Heerlen. Pé Hawinkels zou gedurende de gehele gymnasiumtijd zijn klasgenoot zijn. Harrie Geelen was twee jaar ouder en zat dus twee klassen hoger. Met zijn drieën werden zij lid van de tekenclub van de heer Fonville. Die tekenclub heeft onder andere in 1956 het bekende ‘Panorama Heerlen’ vanaf het Glaspaleis geschilderd. Er waren trouwens nog enkele leden van die tekenclub die het later tot enige landelijke faam zouden schoppen.
Zoals Ruud Groen, jarenlang geliefd columnist van het Eindhovens Dagblad, helaas begin 2007 overleden, en de architect Hubert-Jan Henket onder meer bekend van de nieuwbouw van het De Vriese paviljoen van museum Boijmans Van Beuningen, de renovatie van sanatorium Zonnestraal in Hilversum en Teylers Museum in Haarlem en de recente verbouwing van de Wiebengahal in Maastricht.
Halverwege zijn Bernardinusperiode verhuisde het gezin Kneepkens naar Heerlen, Bongaertslaan.
Herinneringen die te vinden zijn in de latere poëzie van Kneepkens, zoals aan het buitenzwembad Ter Worm en Akerstraat, stammen uit die tijd.
Na het behalen van het einddiploma was het in die jaren onder Bernardijnen min of meer gebruikelijk dat men in Nijmegen ging studeren. Pé Hawinkels heeft dit bijvoorbeeld gedaan. Maar Kneepkens had wat met de zee en dus ging hij in 1960 rechten en criminologie studeren in Leiden ‘omdat die universiteit het dichtst bij zee lag’.

We reisden af naar de Universiteit van de Zee

Valkenburgerweg (uit: Zuiderlinks)

In 1967 studeerde hij in Leiden af en na enkele omzwervingen vestigde hij zich in 1971 in Rotterdam waar hij tot op heden woont. Van 1971 tot 1994 was hij als docent strafrecht en criminologie verbonden aan de Erasmusuniversiteit. Van 1973 tot 1984 was hij ook lid en voorzitter van de Coornhert-liga. In 1994 richtte hij de Stadspartij Rotterdam op en werd in dat jaar tot raadslid gekozen.
Als raadslid zou hij bekend worden als een begaafd redenaar en gerespecteerd politicus met landelijke bekendheid, met name door enkele spraakmakende acties. Ook vroeg hij regelmatig in raadsvergaderingen aandacht voor de poëzie. Eén van zijn laatste daden in de raad was het indienen van een motie waarin het college van Rotterdam werd opgedragen een stadsdichter te benoemen. De motie werd aangenomen en voor het jaar 2007 werden de WoordDansers benoemd tot stadsdichters van Rotterdam. In 2006 trad hij terug als raadslid en vanaf die tijd wijdt hij zich geheel aan de beeldende kunst en literatuur.

Literaire carrière tot het debuut in 1976

De eerste gedichten van Manuel Kneepkens verschenen in het schoolblad van het Bernardinuscollege ‘Binden en Bouwen’. Pé Hawinkels en Manuel Kneepkens maakten gedurende de laatste twee jaar dat ze op het Bernardinuscollege zaten, deel uit van de redactie van dit toendertijd veel geroemde schoolblad.
In zijn studententijd publiceerde Manuel Kneepkens in de Leidse studentenbladen LUB (Leids Studentenblad) en Folia, terwijl Pé Hawinkels publiceerde in onder andere NUB (Nijmeegs Studentenblad) en Vox Carolina.
In 1964 gaf Kneepkens in eigen beheer het bundeltje ‘Mallodia’ uit dat zowaar besproken werd in Elseviers Weekblad: 'Een grove scheut Roland Holst en een mespuntje Vijftigers; Manuel Kneepkens is dan ook een goed gekozen pseudoniem'.
Op 1 november 1967 vond te Maastricht één van de eerste literaire festivals in Nederland plaats: ‘Rimrammen in de Redoute’. Hawinkels werd uitgenodigd, Kneepkens niet. Dit had onder andere te maken met het feit dat Hawinkels in Nijmegen studeerde. De Limburgse achterban bleef daardoor altijd wel een beetje op de hoogte van je activiteiten. Manuel Kneepkens studeerde in Leiden en was voor Limburg uit het zicht verdwenen. Dat zou echter onder andere door toedoen van zijn oud-klasgenoot ten gunste veranderen. Pé Hawinkels had al regelmatig gedichten, verhalen en beschouwingen geleverd aan het landelijke tijdschrift ‘Raam’. Met ingang van nummer 57 september 1969, werd hij tot mede-redacteur benoemd. In het volgende nummer, nummer 58 oktober 1969, werden enkele gedichten van Kneepkens in ‘Raam’ opgenomen. In de volgende nummers zou ‘Raam’ regelmatig gedichten van Kneepkens publiceren.
Dat bleef in Limburg niet onopgemerkt.
Begin zeventiger jaren had Wiel Kusters een klein bibliofiel uitgeverijtje opgericht met de naam ‘Het smalle wed’. Elke uitgave bestond uit een enveloppe met daarin enkele gedichten. Naar aanleiding van de gedichten in ‘Raam’ vroeg hij Kneepkens of hij iets van hem mocht uitgeven. Dat werd ‘Tuin van eetlust’ en bevatte zeven gedichten. De uitgave verscheen in 1975.
In hetzelfde jaar publiceerde het tijdschrift ‘Gedicht’, dat onder redactie stond van Remco Campert, in nummer 6 juli 1975, tien gedichten van Kneepkens. Remco Campert schreef hem direct daarna een briefje met de vraag: ‘Wilt u niet bundelen?’
In 1976 verscheen bij ‘De bezige bij’ de debuutbundel van Manuel Kneepkens. Op verzoek van de uitgeverij kreeg de bundel eveneens de titel ‘Tuin van eetlust’.

 

terug «

 

 


 

Noordermaasberichten

Van tijd tot tijd stuurt Manuel Kneepkens (Heerlen, 1942) ons een bericht vanuit zijn woonplaats Rotterdam

lees alle berichten hier »